De Geboorte van
Jezus in de bijbel
(Mateüs)

 

 

 

 

Geboorte van Jezus volgens Mateüs

Het kerstverhaal

De herders en de drie koningen die samen in de stal
in aanbidding voor het kindeke Jezus liggen geknield,
dat is voor veel mensen hét beeld van kerst. Zo wordt
het immers letterlijk verbeeld in de talloze kerststallen
die elk jaar in december weer worden opgetuigd. Maar
in de bijbel komen de koningen niet voor; er is sprake van
wijzen of magiërs. En die komen op hun beurt niet in
hetzelfde bijbelgedeelte voor als de herders. In feite staan
er twéé kerstverhalen in de bijbel, die later zijn geharmoniseerd
en uitgebreid met allerlei legendarische elementen, zoals de os
en de ezel. In deze Rode Draad wordt ingegaan op
overeenkomsten en verschillen tussen de twee verhalen.

Om te beginnen is het opvallend, dat er weliswaar vier
evangelies zijn (van Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes),
maar dat slechts twee daarvan berichten over de geboorte
en wat daaromheen plaats vond. Zowel Marcus als Johannes
beginnen hun verhaal in medias res met de prediking van
Johannes de Doper en het begin van Jezus' openbare optreden
als inmiddels volwassen man (Mar. 1; Joh. 1). Alleen de
evangelies van Matteüs en Lucas verhalen van de
geboorte van Jezus.

Het geboorteverhaal volgens Matteüs

Matteüs begint zijn evangelie met de stamboom van Jezus
(Mat. 1:1-17): 'Overzicht van de afstamming van Jezus Christus,
zoon van David, zoon van Abraham'. Daarmee geeft hij
aan dat Jezus voluit wortelt in het Joodse volk. Lucas geeft
overigens ook een stamboom van Jezus, maar pas verderop
in het verhaal, bij het begin van Jezus' prediking (Luc. 3:23-38).

Matteüs vervolgt:

De afkomst van Jezus Christus was als volgt.
Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef
maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te
zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een
rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak
brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten.
Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een
engel van de Heer. De engel zei: 'Jozef, zoon van David, wees
niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind
dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. Ze zal een
zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk
bevrijden van hun zonden.' (Mat. 1:18-21)

Jozef doet wat hem door de engel is opgedragen.
Hij neemt Maria bij zich als zijn vrouw, en als de geboorte
heeft plaatsgevonden geeft hij het kind de naam Jezus.
Dan verplaatst de aandacht zich:

Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens
de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het
Oosten in Jeruzalem aan. Ze vroegen: 'Waar is de pasgeboren
koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan
en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.' (Mat. 2:1-2)

Herodes schrikt als hij hoort van een potentiële concurrent
en laat navraag doen waar de messias - de langverwachte
redder van het Joodse volk - volgens de Hebreeuwse bijbel
geboren zou moeten worden. Dat blijkt Betlehem te zijn,
en Herodes stuurt de magiërs op weg, met de huichelachtige
bezwering om hem achteraf te komen vertellen waar ze het
kind gevonden hebben, 'zodat ook ik erheen kan gaan
om het eer te bewijzen.' (vs. 8)

Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg,
gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien
opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats
waar het kind was. Toen ze dat zagen, werden ze vervuld
van diepe vreugde. Ze gingen het huis binnen en vonden het
kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer
te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden
en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre.
Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar
Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route terug
naar hun land. (Mat. 2:9-12)

Als Herodes merkt dat de magiërs hem misleid hebben,
ontsteekt hij in woede en beveelt hij alle jongetjes van
twee jaar en jonger in Betlehem en omgeving om te
brengen. Jezus ontsnapt aan deze afschuwelijke slachtpartij
doordat Jozef vooraf in een droom is gewaarschuwd om
met zijn gezin naar Egypte te vluchten. Pas als Herodes
dood is keren ze terug naar hun geboorteland,
en gaan in Nazaret wonen.

Lucas vertelt veel uitvoeriger over de geboorte van Jezus,
en dat terwijl de magiërs en de kindermoord te Betlehem
in zijn verhaal niet eens voorkomen. Na een korte
inleiding waarin hij zijn werkwijze verantwoordt, vertelt
hij over de geboorteaankondiging van Johannes de Doper
(Lucas 1:5-25). Daarna beschrijft hij de aankondiging
van de geboorte van Jezus, de zogenoemde
Annunciatie of Maria-Boodschap.

[Toen] zond God de engel Gabriël naar de stad Nazaret
in Galilea, naar een meisje dat was uitgehuwelijkt aan een man
die Jozef heette, een afstammeling van David. Het meisje heette
Maria. Gabriël ging haar huis binnen en zei: 'Gegroet Maria,
je bent begenadigd, de Heer is met je.' Ze schrok hevig bij het
horen van zijn woorden en vroeg zich af wat die begroeting te
betekenen had. Maar de engel zei tegen haar: 'Wees niet
bang, Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult
zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus
noemen. [...] Maria vroeg aan de engel: 'Hoe zal dat gebeuren?
Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.'
De engel antwoordde: 'De heilige Geest zal over je komen
en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken.
Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd
en Zoon van God. Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger
van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield
men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar
zwangerschap, want voor God is niets onmogelijk.' Maria zei:
'De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt
gezegd.' Daarna liet de engel haar weer alleen. (Luc. 1:26-38)

Maria reist naar genoemde Elisabet toe, die in verwachting
is van Johannes de Doper. Bij de blijde ontmoeting heft
Maria een lofzang aan die naar de Latijnse beginregel
Magnificat
wordt genoemd: 'Mijn ziel prijst en looft de Heer'.
Dit bezoek van zo'n drie maanden staat in de traditie bekend
als de Visitatie. In het slot van Lucas 1 staat de geboorte van
Johannes de Doper beschreven.

Hoofdstuk 2 is gewijd aan de geboorte van Jezus.
Vanwege een door keizer Augustus verordonneerde
volkstelling moet iedereen zich in zijn geboorteplaats
laten inschrijven. Jozef en de hoogzwangere Maria reizen
van Nazaret naar Betlehem, waar de geboorte plaatsvindt.

Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan,
en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.
Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak,
omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van
de stad. Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door
in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond
er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door
het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken.
De engel zei tegen hen: 'Wees niet bang, want ik kom jullie
goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde
zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een
redder geboren. Hij is de messias, de Heer. Dit zal voor jullie
het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden
dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.' En plotseling
voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees
met de woorden: 'Eer aan God in de hoogste hemel en vrede
op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.' (Luc. 2:6-14)

De herders gaan op weg en treffen alles aan zoals de engel
het heeft aangekondigd. 'De herders gingen terug, terwijl ze
God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien
hadden, precies zoals het hun was gezegd.' (vs. 20)

Lucas besluit zijn verhaal over Jezus' eerste dagen op aarde
met de zogenoemde toewijding in de tempel: 'Toen de
tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet
van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar
Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden.' (vs. 22) Daar
treffen ze Simeon en Anna, twee bejaarde profeten die door
de Geest naar de tempel zijn gestuurd om de messias hulde
te brengen. Lucas besluit het geboorteverhaal met de woorden:
 'Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden
gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats
Nazaret. Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met
wijsheid; Gods genade rustte op hem.' (vs. 39-40)

Resumerend: voor de traditionele kerststal bestaat in feite
geen bijbelse grond. Lucas spreekt weliswaar over een
voederbak, maar van een stal - laat staan een die met
dieren gedeeld moet worden - is feitelijk geen sprake. Ook
van een ontmoeting tussen herders en koningen wordt niet
gerept: uit het feit dat Herodes alle kinderen tot twee jaar
wil laten doden, wordt over het algemeen opgemaakt dat het
bezoek van de magiërs geruime tijd na de geboorte moet
hebben plaatsgevonden.

Naar de Kerstpagina's

 Kerstgroet in vele talen en uit vele landen

Alles over Kerstbomen in verschillende landen

Wetenswaardigheden over de Kerstboom

Niet vreemd, maar anders

Kerst in andere landen

De geschiedenis van de Kerstman

De geschiedenis van Advent

A Christmas Carol en Charles Dickens

De Geboorte van Jezus in de bijbel (Lucas)

Driekoningen

Kerstversieringen - Kerstballen

Kerstversieringen - Kerststal

The twelve days of Christmas

De 12 dagen van Kerstmis

Het ware Kerstverhaal

Wetenswaardigheden over het Kerstfeest

Mijn Kerstwensen speciaal voor u

Hoe Jozef de kerststal vond

Vreeswijk bij kaarslicht 2006

Een bijzondere kerstvoorstelling

Welkom bij mijn gastenboek

Naar begin pagina